honingBijen verzamelen:

 

ü      Nectar die door nectarklieren in de bloemen wordt afgescheiden (florale nectaria), sommige planten scheiden nectar af via de bladeren (extraflorale nectaria).

 

ü      Honingdauw, dit zijn reststoffen die door bladluizen worden uitgescheiden.

 

In de kast wordt de nectar of honingdauw aan de kastbijen doorgegeven voor verdere verwerking.

Bij elke overdracht (ook tussen kastbijen) wordt die ingedikt en verrijkt met fermenten uit de voedersapklieren voor het omzetten van de rietsuiker.

Telkens wordt er ook water onttrokken.

In halfvolle cellen gaat, onder invloed van de hoge temperatuur, het ontvochten ook verder vooraleer de cel verzegeld wordt.

Voor 1 kg honing is er 2 tot 3 kg nectar nodig.

 

Soorten honing

 

Bloemenhoning

Monoflorale honing: voornamelijk van één soort (koolzaad, fruit, … )

Multiflorale honing: van meerdere soorten bloemen (wilg + fruit + … )

Blad- of woudhoning: grondstof afkomstig van bladluizen

 

Samenstelling van honing.

 

Behalve water (max. 20%) bevat honing:

ü     Water, gemiddeld 17%

ü     Glucose 31% kristalliseert snel

ü     Fructose 38 % kristalliseert langzaam

ü     Maltose 7%

ü     Meervoudige suikers 2 %

ü     Bietsuiker 1%.

Sacharose of rietsuiker (1 tot 99%) dat onder invloed van het enzym ‘invertase’ gesplitst wordt in enkelvoudige suikers glucose en fructose. De hoeveelheid sacharose is afhankelijk van de soort bloemen, van het tijdstip van de dag en van de weersomstandigheden.

 

Aminozuren

 

ü     O.a. fermenten voor betere vertering

ü     Enzym diastase: speelt een rol voor de betere vertering van stuifmeel

ü     Enzym invertase: zet ruwe suikers om in vruchten- en druivensuikers

ü     Proline: is verantwoordelijk voor de smaakvorming

 

Organische zuren

 

O.a. glucoseoxidase: zet in verbinding met lucht, kleine hoeveelheden druivensuiker om in gluconzuur, waarbij kiemdodend waterstofperoxide gevormd wordt (open wonden)

 

Mineralen

 

Calcium, kalium, chloor, ijzer, magnesium, enz.

 

Vitaminen

 

O.a. - A - B - C

Kleur, aroma en smaak: zijn afhankelijk van de nectarbron, bodemgesteldheid en klimaat

 

Kleur:

 

Afhankelijk van de herkomst

Lentehoning is meestal licht van kleur (koolzaad bijna wit)

Zomerhoning is donkerder

Honingdauw is donkerder dan bloemenhoning)

Ouderdom (gaat tot zwart-bruin)

Hoog gehalte aan mineralen (wordt donkerder)

Verhoging van het aantal gistcellen(wordt donkerder)

 

Aromaboeket:

 

Veroorzaakt door meer dan 100 vluchtige bestanddelen

Smaak geur en kleur gaan nauw samen

Ze verdwijnen of verminderen sterk bij thermische behandeling (+ 60°C)

In de industrie worden (soms) aroma ‘s bijgevoegd na verhitting

Reststoffen of as (5%)

Stuifmeelpollen (herkomst van de honing kan door pollenanalyse bepaald worden)

Honing het vloeibaar goud de imkers besteden er de meeste zorg aan

 

Eigenschappen van honing

 

ü      Antibacteriële werking

ü     Debiterende werking