Mijtziekte of Acariose.

 De mijt Acarapis woodi dringt binnen in de tracheeën van bijen jonger dan 8 dagen. Ook in de chitineplooien van de vleugels wordt haemolymfe opgezogen.

Bevruchte wijfjes leggen eitjes in de ademhalingsbuizen. De ontwikkeling van ei tot volwassen mijt duurt 16 dagen. De larven, nymfen en volwassen mijten steken met hun scherpe monddelen door de tracheewand en voeden zich met bloed. Ook de vleugelgewrichten worden beschadigd.

Een oude benaming is krabbelziekte.

Te veel mijten (tot 100) belemmeren de ademhaling. Ook de vliegspieren krijgen onvoldoende zuurstof. Tijdens de eerste reinigingsvluchten komen honderden bijen buiten die niet kunnen vliegen.

Gepaarde wijfjes verlaten de tracheeën en gaan over op andere bijen. Vervliegende bijen en darren brengen de mijten naar andere volken over.

Bij goede dracht vanaf mei kan de besmetting fel teruglopen omdat de bijenwisseling (kortere levensduur) de ontwikkeling van de mijten afremt.

Krabbelaars (50) worden onderzocht met een binoculair microscoop.

Een dunne dwarse sectie van het borststuk toont de mijten in de tracheeën.

Vroeger werden door een aantal berokingen (o.a. met Folbex Groen) de mijten gedood.

Aangifteplichtig.